Direct naar navigatie

Windmolens bij een neolithische vindplaats in de gemeente Rijnwoude

Door: Vlaardings Archeologisch Kantoor, Periode: 8000 v. Chr. - 2999 v. Chr.

Medio 2007 opende een windpark net ten zuiden van de Rijksweg N11 bij Hazerswoude-Rijndijk. Vier grote windturbines voorzien sindsdien de gemeente Rijnwoude van groene energie. Voorafgaand aan de bouw van deze reuzen, onderzochten archeologen van ArcheoMedia B.V. de ondergrond. Een booronderzoek in 2005 leidde een jaar later tot een proefsleuvenonderzoek. Vlak onder het maaiveld troffen de onderzoekers sporen en vondsten aan van de Vlaardingen-cultuur.

Een intensief onderzoek

In september 2006 vond de eerste fase van het proefsleuvenonderzoek plaats. Op ongeveer een halve meter onder het maaiveld stuitten de archeologen op de top van een pakket zandige rivierafzettingen. Deze zogenaamde crevasseafzettingen werden gevormd nadat de Oude Rijn bij hoog water door haar eigen oeverwallen brak. Bij de doorbraak werden in het komgebied relatief grove sedimenten neergelegd. Toen het rivierwater weer zakte na de doorbraak, waterde het komgebied af via de crevassegeul. Het is op de zavelige oeverafzettingen van de geul dat de archeologen een dikke bewoningslaag aantroffen.

Overzicht bodemopbouw, werkputten en archeologische resten ter plaatse van windturbine 2. Afbeelding: ir. R.H. Nijdam, ArcheoMedia bv. Tijdens de tweede fase van het proefsleuvenonderzoek (eind 2006) focuste men zich op een deel van een eerder aangelegde werkput (WP3). Een oppervlakte van 26 m² op de zuidelijke oever van het crevassecomplex werd grondig onderzocht. Dankzij de hulp van vrijwilligers van de AWN-afdeling Rijnstreek en de archeologische vereniging Golda kon de bewoningslaag gezeefd worden en de onderliggende grondsporen onderzocht en gedocumenteerd. Een lange noord-zuid georiënteerde sleuf liet verder toe de stratigrafie van de nederzetting in kaart te brengen.

Wonen op een crevassecomplex

Het onderzoek toonde aan dat de zuidelijke oever van de crevassegeul iets hoger lag dan de noordelijke tegenhanger. Toen de geul actief was, vormden beide oevers hoger gelegen stroken in het landschap. Neolithische mensen beschouwden dit als een goede woonplaats en vestigden zich op de oevers. Bijna 5000 jaar later troffen archeologen op verschillende plaatsen in het ruim 1300 m² grote gebied vondsten aan uit de Vlaardingen-cultuur.

Haardprofiel met verschillende gebruiksfasen in het zuidprofiel van werkput 3. Foto: ArcheoMedia bv.Op de zuidelijke oever lag een circa 45 cm dik bewoningspakket dat bestond uit 2 tot 3 aparte bewoningslagen. De onderste laag bevatte vondsten en sporen die toe te schrijven waren aan de Vlaardingen-cultuur. Een rij paalsporen die zichtbaar werd onder de bewoningslaag, was vermoedelijk het restant van een wand. De beperkte oppervlakte van de werkput liet echter niet toe de structuur goed in kaart te brengen. Wel konden binnen de (vermoedelijke) huisplattegrond verschillende haardplaatsen opgetekend worden. Ook op de noordelijke oever vonden de onderzoekers drie aparte horizonten. De onderste laag bevatte opnieuw Vlaardingen-materiaal.

Enkele opmerkelijke vondsten

Zandstenen artefact met aan weerszijden een artificiële verdieping. Foto: ArcheoMedia bvNaast werktuigen van been, natuur- en vuursteen, vonden de archeologen ook scherven met putjes onder de rand en fragmenten van bakplaten. Een drietal vondsten trekken de aandacht. Zo is er een zandstenen artefact gevonden met aan twee zijden een artificiële verdieping. Een rood spikkeltje op de steen bleek na onderzoek door het Instituut Collectie Nederland (ICN) oker te zijn. Dit versterkt de theorie dat het voorwerp een vijzel was om oker mee te vermalen.

Scherven van beschilderd Vlaardingen-aardewerk. Mogelijk is de stand van de scherven anders dan weergegeven. Foto: ArcheoMedia bvDe vondst van 4 Vlaardingen-scherven met een enigszins glimmende, donkere substantie op de wand is ook vermeldenswaardig. Het aardewerk lijkt beschilderd, maar de scherven zijn te klein om motieven te herkennen. De substantie is wel onderzocht door het ICN. De gebarsten zwarte laag bevatte meer koolstof en calcium dan het aardewerk zelf, maar geen proteïnen en suikers. De conclusie is dat het product gemaakt is van organisch materiaal en calcium en dat het vermoedelijk bij het bakproces verkoold is geraakt.

Fragment van een halskom. Vermoedelijk een locale imitatie van Trechterbekeraardewerk. Foto: ArcheoMedia bvEven spectaculair als de beschilderde scherven zijn de scherven van een halskom met blokversiering op de schouder. De versiering bestaat uit vier afzonderlijke rijen met indrukken die samen een blok vormen. Halskommen zijn kenmerkend voor de laatste fase van de Westgroep van de Trechterbekercultuur (circa 2900/2850 – 2850/2800 voor Chr.). De onderzoekers opperen echter dat deze pot lokaal is vervaardigd.

Publicaties

Senne Diependaele & Erik Drenth, 2010: Archeologisch onderzoek te Hazerswoude-Rijndijk (gemeente Rijnwoude, provincie Zuid-Holland). Een nederzetting van de Vlaardingen-cultuur nabij de Oude Rijn, in: Westerheem special nr.2, p. 134-146.

S. Diependaele, S. en E. Drenth, 2010: Rapport A06-286-R en A06-359-R. Archeologisch onderzoek langs de rijksweg N11 (Spookverlaat) ten behoeve van de aanleg van het windturbinepark Rijnwoude te Hazerswoude-Rijndijk (gem. Rijnwoude, prov, Zuid-Holland). Een Neolithische vindplaats langs de Oude Rijn. Standaardrapport.

Reacties