Direct naar navigatie

Vlaardingen-cultuur te Leidschendam

Door: Vlaardings Archeologisch Kantoor, Periode: 8000 v. Chr. - 2999 v. Chr.

Lang leve de gemotiveerde en oplettende leden van archeologische werkgroepen in heel Nederland! Dankzij hun vasthoudendheid en passie leveren locaties - waar verregaand archeologisch onderzoek niet nodig wordt geacht - regelmatig interessante informatie op. Zo zorgde de werkgroep Leidschendam-Voorburg er in 2008 voor dat een vindplaats uit de Vlaardingen-Cultuur niet helemaal reddeloos verloren ging. Met hun onderzoek legden ze ook de vinger op enkele pijnpunten in de archeologische procedures en onderzoekstechnieken.

Noodonderzoek verreist

In april 2008 startte men aan de Frekeweg in de gemeente Leidschendam-Voorburg met de aanleg van een ondergrondse parkeergarage. Op het terrein was geen definitief archeologisch onderzoek nodig omdat bij booronderzoeken in 2005 geen archeologische resten waren aangetroffen. Nochtans had de werkgroep Leidschendam-Voorburg (AWLV) later de potentie van deze locatie aangetoond door het graven van twee proefsleuven. Ze vonden toen wat vuursteen, enkele scherven en een grote hoeveelheid bot. Deze vondsten behoorden vermoedelijk tot de Vlaardingen-Cultuur en verder onderzoek leek de moeite waard. Toch veranderde het oorspronkelijke besluit niet door deze vondst. De werkgroep besloot daarom de aanleg van de parkeergarage zelf te begeleiden.

Aan de Frekeweg is een kwadrantsysteem aangelegd en een profielsleuf gegraven. Foto: Jacqueline Pronk Met de machine werd een diepe sleuf gegraven en de rest van het terrein werd zoveel mogelijk handmatig afgegraven in kwadranten van 5 x 5 m. Het noodonderzoek kon slechts één week duren en het gebrek aan tijd en capaciteit speelde de onderzoekers danig parten. Toch slaagden ze erin om vondsten en informatie te verzamelen die het bestaande beeld van bewoning op de strandwallen aanvult.

Een afvaldump

Tussen twee lage duinruggen troffen de onderzoekers een kleine depressie aan die gevuld was met veen en gyttja (een organisch sediment dat kan ontstaan op de bodem van zuurstof- of voedselrijke, stilstaande wateren). De bewoners van een nabijgelegen nederzetting gebruikten dit meertje meer dan 5000 jaar geleden als plaats om hun afval te storten. De nederzetting lag vermoedelijk op het oostelijke duintje, maar de top van die duin en de sporen van de nederzetting zijn door verstoringen volledig verdwenen. De afvaldump lag gelukkig op een dieper niveau en bleef gespaard. De onderzoekers troffen het gebruikelijke scala aan vondsten aan op de overgang van een gyttja- en veenlaag.

Mooi gladgestreken potje met Ø 10 cm. Foto: Jeroen RooijackersHoewel het botmateriaal niet uitvoerig werd bestudeerd, kon men concluderen dat de meeste botten afkomstig waren van gedomesticeerde dieren. Veeteelt speelde dus een belangrijke rol in de voedselvoorziening van deze gemeenschap. Het aardewerk was afkomstig van minstens 8 verschillende potten.

Een loper van gneisachtig graniet van de Frekeweg. Foto: Jeroen RooijackersNaast dikwandige potten met grove kwartsverschaling kwamen ook kleinere en dunnere vormen voor die verschaald waren met steen- of aardewerkgruis. Resten van standvoetbekers/ klokbekers vonden de onderzoekers niet en mede op die basis werd het afval voorzichtig aan de vroegere fasen van de Vlaardingen-Cultuur toegekend. Naast de vuurstenen afslagen, waarvan twee duidelijke gebruikssporen droegen, vielen tussen het afval ook een klopsteen en een stuk van een maalsteen op.

Veen (v) en gyttjalaag (o) in de depressie. Naar tekening Bert van der Valk.

Lesje geleerd?

Het onderzoek van de werkgroep Leidschendam-Voorburg toonde aan dat niet alleen nederzettingen relevante informatie kunnen opleveren over bijvoorbeeld bewoning op de strandwallen. Neolitische sporen die dicht bij het oppervlak liggen (zoals een nederzetting op de top van een duin), zijn vaak al verdwenen bij eerdere graafwerkzaamheden. De flanken van strandwallen en de depressies ertussen blijven daarentegen vaak gespaard en archeologisch vooronderzoek zou zich ook moeten toespitsen op deze gebieden. Een goede kennis van het microreliëf van de omgeving is dan wel noodzakelijk. Deze kennis kan vergroot worden door gebruik te maken van de lokale kennis en onderzoek aan te passen aan de situatie. Het is ook de vraag of een booronderzoek een geschikte methode is om dergelijke kleine fenomenen en vondstconcentraties op te sporen. Tot slot blijkt het belangrijk om steeds kritisch te kijken naar de gevolgde procedures en aanpassingen door te voeren als daar voldoende aanwijzingen voor zijn.

Publicatie

Bert van der Valk en Robert Hirschel, 2010: Een noodopgraving van een vroege Vlaardingen-vindplaats aan de Frekeweg, Gemeente Leidschendam-Voorburg: lessen geleerd (?), in: Westerheem special nr.2, p. 120-133.

Reacties