Direct naar navigatie

Handel en industrie

Door: Stadsarchief Vlaardingen, Periode: 3000 v. Chr. - 1899, Thema's: Handel en industrie

Niet voor niets koos de Vlaardingen-mens (2900-2600 v. Chr.) nu juist déze plek uit om te jagen, om voedsel te verzamelen en om - later - te boeren. De kleine nederzetting die Vlaardingen toen was, lag immers vlakbij de zee en aan een grote rivier. Dat betekende in ieder geval een garantie op voedsel en de mogelijkheid tot transport – handel dus - over water. Toch won de visserij het door de eeuwen heen meestal van de koopvaart.

Archeologische vondsten van vuursteen, waar je als prehistorische boer heel goed werktuigen van kon maken, duiden op een eerste vorm van handel, ruilhandel wel te verstaan.
In de middeleeuwen, om precies te zijn in 1230, voer er al een Vlaardingse schipper, Gerardus van Flethinge, van Vlaardingen naar Engeland om terug te komen met een schip volgeladen met wol. Zo’n 150 jaar later was de handel op Engeland usance geworden; in het jaar 1379 was er sprake van tientallen handelsvaarten!

Het oudste stadszegel, in groene was, dateert van 1361 en draagt om het afgebeelde koggeschip heen de tekst; "Dit es teken van Vlarin". Het zegel is nog tot 1509 in gebruik geweestVlaardingen had daarom ook een eigen stadszegel met daarop de afbeelding van een handelsschip, de kogge. Langzamerhand echter, verschoof het zwaartepunt van de handel naar de visserij, en dan met name de haringvisserij. Als gevolg van een aantal overstromingen en branden duurde het nog tot het laatste kwart van de 16e eeuw, voordat de visserij uiteindelijk goed op gang kwam. Het kostbare ‘zilver uit de zee’ en de vele bedrijfstakken die daaraan verbonden waren, zoals kuiperijen, scheepswerven, lijnbanen, nettenboetschuren, zeilmakerijen enzovoorts, zorgden tot halverwege de vorige eeuw voor de belangrijkste bron van inkomsten voor de Vlaardingse bevolking.

Gilden

In de eerste helft van de 17e eeuw ontstond er behoefte aan een meer gestructureerde vorm waarin vaklieden hun leerlingen op konden leiden. De eerste gilden werden opgericht. Aansluiting bij zo'n gilde bracht een aantal voordelen met zich mee. De leden konden elkaar, door wekelijks een bepaald geldbedrag in een ‘bossche’ (soort collectebus) te deponeren, op deze manier verzekeren van een degelijke begrafenis en van een goede verzorging van de achterblijvers. Niet minder van belang was het uitsluiten van 'beunhazen', waardoor de kwaliteit van een beroepsgroep gewaarborgd bleef. Een halve eeuw later, volgden er meer gilden.


Nauwgezet en in een zeer regelmatig handschrift noteerde men de namen van de nieuwe poorters (OAV, inv. nr. 60)Om zich te kunnen aansluiten bij een gilde, moest men zich als poorter (inwoner van de stad) laten inschrijven in het poorterboek. Hiervoor moest men de poortereed afleggen. In de tijd van de Franse Revolutie verdwenen de gilden.

 

Scheepsbouwers

Zowel koopvaardijschepen als vissersschepen werden met groot vakmanschap op de vele Vlaardingse scheepswerven gebouwd. De werf van Adryaen Jansz. Jonge Crouch, aan de Westhavenplaats, is de oudst bekende; deze wordt in 1552 aangelegd. Er volgde hierna nog een aantal, tot het jaar 1860, toen de visserij sterk was teruggelopen. Toen deze zich herstelde nam ook de scheepsbouw weer toe en nieuwe scheepswerven verrezen. De werf van Albert de Jong sprong eruit. Zijn meesterschap in het - zelfs zonder tekeningen - bouwen van zeilloggers, was tot in de wijde omgeving bekend.

De 'Paul Kruger' uit Middelharnis gaat te water in het Buizengat (1934)De scheepswerven bevonden zich aan de haven (Havenstraat) en rondom het Buizengat (Kortedijk en Hoflaan). Ondanks dat scheepsbouw een mannenaangelegenheid was, zijn er ook vrouwelijke eigenaren van een scheepswerf bekend. De opdracht van de Staten van Holland om een galeischip te bouwen, werd gegund aan Dammes Leendertszn. Cleywerff  in de Havenstraat. ‘De Rode Galei’ werd in 1598 vanaf deze werf te water gelaten.

 

Kuipers

De tonnen waarin de haring maar ook het voedsel voor aan boord in vervoerd werd, werden gemaakt in kuiperijen. De zogenaamde droge kuipers, die de vaten maakten, vonden rond 1900 werk in één van de zestig kuiperijen. Het kuipersvak was zwaar, zes lange dagen voor stukloon werken in benauwde, donkere ruimtes. Het benodigde gereedschap moest je zelf aanschaffen én dus zelf betalen. Je begon als koffiejongen. Aan een lange stok hingen dampende kannetjes koffie die in dankbaarheid in ontvangst werden genomen. De koffiejongens bezorgden de kuipers ook de door hun echtgenote of moeder klaargemaakte, in zogenaamde ‘stikkezakjes’ verpakte boterhammen. Tussen de bedrijven door leerde zo'n knulletje meteen de fijne kneepjes van het vak en na een periode van circa vijf jaar mocht hij zelfstandig het vak van kuiper uitoefenen.

Portretfoto van een koffiejongen, mèt koffiekannetjes én stikkezakjes (1879)


Natte kuipers pakten de aangevoerde haring om en waren in dienst van een reder.
De Eerste Machinale Kuiperij van Betz en Van Heijst werd in het jaar 1898 opgericht.
De aangevoerde vis werd verkocht bij de Visbank en later in de Zeevishal aan de Koningin Wilhelminahaven en de Afslagzaal die in 1961 nog gevestigd was aan de Oosthavenkade nummer 88.

Netttenboetsters

14 september 1926: boetsters aan het werk in de boetschuur van De Zeeuw & Van RaaltNet als in de kuiperijen was ook de carrière van een ‘volle boetster’ ooit eens begonnen als koffiemeisje. Trouwens, een koffiemeisje kreeg nog meer klusjes in haar klompen geschoven, zoals boodschappen doen en het toilet schoonmaken. In de zomer vond de reparatie van de netten - het boeten - gewoon buiten plaats, onder andere onderaan de Maassluissedijk. In de winter in boetschuren en op boetzolders.

De boetsters maakten lange dagen van wel 16 uur.
Dat veranderde enigszins door de invoering van de Arbeidswet in 1889. Jonge meisjes werden bij een inspectie zonodig weggemoffeld tussen de netten. Onder het wakend oog van de hoofdboetster werd er veel gezongen en ook wel gezellig gekletst.

‘Baanders’; lijn- of touwdraaiers

Wat zou een vissersschip beginnen zonder touw? Touw werd gedraaid in 300 meter lange touwbanen van zo’n vijf meter breed. De drie touwbanen die Vlaardingen aan het begin van de 17e eeuw telde, lagen alle tussen de Zomerstraat en de Vetteoordsekade. 'De Oude Lijnbaan', opgericht in 1611, is daarvan de meest bekende. De later opgerichte touwbaan ‘De Zeevaart’ lag aan de Oosthavenkade en liep van daaruit 300 meter in oostelijke richting. Nadat in de loop van de 19e eeuw het vak machinaal werd uitgeoefend, verdween de handmatige versie van dit beroep.

Molens

Graan is altijd al een belangrijk onderdeel van ons voedsel geweest. Toen in de middeleeuwen zich bakkers in de stad vestigden, ontstond er behoefte aan een korenmolen. Die allereerste molen werd gebouwd aan de rand van de stad, op de Kortedijk, op de plek waar nu de ‘Aeolus’ (god van de wind) staat. Na deze eerste houten molen volgden ‘De Bonte Os’, een runmolen op de hoek van de Galgkade, een snuifmolen, ‘De Vrijheid’ genaamd en een houtzaagmolen die de naam ‘de Roos’ droeg. De pelmolen ‘De Hoop’ die aan de Galgkade stond, dateert van 1848.

Markten

Markt op de Westhavenplaats, eind 19e eeuwProducten van allerlei aard worden al sinds jaar en dag verkocht op de lokale markten. De oudste vermelding van een markt dateert van 1657. In eerste instantie was de Westhavenplaats de aangewezen plek ervoor. Ook de jaarlijkse paardenmarkt met kermis vond hier plaats. Allerlei types variërend van boeren en ambachtslieden tot marskramers en kermisklanten zorgden voor leven in de brouwerij en toeloop van de inwoners. Rondventende kooplui en luid schreeuwende, dronken kermisklanten waren regelmatig aanleiding tot verhitte straattaferelen, boetes en zelfs tot het verplaatsen van de markt zelf. Na de Bataafse Revolutie in 1795 stond ook in Holland de leus ‘Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap’ hoog in het vaandel en werd het vrije marktwezen ingevoerd. 

De jaarmarkt was een zodanig belangrijk verworven stadsrecht, dat er zelfs sprake was van ‘marktvrede’. Tijdens de veertien marktdagen mocht er niemand voor het gerecht worden gedaagd voor welk delict dan ook. De gaande en komende man kon zich hiervan op de hoogte stellen door de zogenaamde ‘marktkruizen’ die langs de toegangswegen van de stad waren geplaatst.

Grote drukte op de paardenmarkt die op maandag 28 juni 1907 in de Zomerstraat plaatsvondAan het eind van de 18e eeuw hield men de paardenmarkt annex kermis nog maar op één dag, en wel op 22 juni. De voor veel overlast zorgende kermis werd in 1904 verboden, met name ook omdat de kerken deze onzedelijk en verwerpelijk vonden. Het marktveld in de Zomerstraat, onder aan de Maassluissedijk, was de meest aangewezen plek voor de paardenmarkt.

Wegens toenemende verkeersproblemen verhuisde de weekmarkt in 1894 van de Westhavenplaats naar de Gedempte Waal, nu Waalstraat. In jaren '60 van de vorige eeuw vond de weekmarkt een plekje op de Markgraaflaan. Uiteindelijk, na decennialang op het feestterrein aan de Broekweg te zijn gehouden, is de markt nu  op het Veerplein en het Schoutplein te vinden. De wekelijkse marktdagen zijn woensdag en zaterdag. Op donderdag is er markt in winkelcentrum De Loper in de wijk Holy.

Koopvaardij

Tot 1857 speelde de koopvaardij de tweede viool. De aandacht ging vooral uit naar de visserij. Enkele reders, waaronder A. Hoogendijk en H. Kikkert hadden koopvaardijschepen varen binnen Europa. Het waren voornamelijk hoekers, die zonodig makkelijk weer tot vissersschepen konden worden getransformeerd. Deze zorgden regelmatig voor de aanvoer van vooral teer, kurk en zout. Ook voor de import van wijnen uit de landen rond het Middellandse Zeegebied en uit Portugal  bestond een goede afzetmarkt. De reders Warmelo & Van der Drift waagden zich met hun schepen ook in verdere wateren. Dat liep niet altijd goed af, de ‘Voorwaarts’, een schoenerhoeker, verging in 1841 op de Atlantische Oceaan. De achtkoppige bemanning, waaronder kapitein Don, is door een ander schip gered en in New York aan wal gezet.

In de tweede helft van de 19e eeuw ging het steeds beter met de koopvaardij. Specerijen, suiker, en koffie uit Nederlands Indië en zuidvruchten, krenten, rozijnen en stokvis uit Europese landen brachten wat afwisseling in de dagelijkse kost. Ook pek, teer, zwavel, hout, huiden, steenkool, graan en traan kwamen op deze manier de stad binnen. De uitvoer bestond ondermeer uit jenever, kaas en gedroogde vis. Er werd druk gehandeld en in 1857 was de koopvaardijvloot met 34 schepen zelfs groter dan de vissersvloot.

Op deze reclameplaat van de firma Hoogendijk, ligt 'De Vrede' voor anker in de haven van OportoDeze opleving was helaas geen lang leven beschoren. Het laatste zeilschip van de firma Hoogendijk, ‘De Vrede’ vond na jarenlange trouwe dienst heen en weer naar onder meer de Molukken, in 1904 een laatste rustplaats op de bodem van de zee, nadat het was verkocht aan een reder in het Bretonse St. Malo.

In 1998 verkocht Scheepvaartbedrijf Doorduin het laatste machinekoopvaardijschip, de ‘Flardingha’, wegens onvoldoende opbrengsten aan een Urkse reder.

Opkomst van de industrie

Gedrukte prent van de van de Hollandsche Fabriek van Melkproducten 'Hollandia' (circa 1934)Van lieverlee deed de industrialisatie haar intrede, ook de bij de nevenbedrijven van de visserij zoals de scheepswerven, touwbanen en kuiperijen. Steeds meer producten werden op een mechanische manier vervaardigd of behandeld. De NV ‘Hollandia’, Hollandse Fabriek van Melkproducten werd opgericht in 1882, nadat het de kunstboter producerende ‘Hollandse Boterfabriek Vacca’ na een faillissement had overgenomen. Onder de leiding van directeur Wagenaar Hummelinck floreerde het bedrijf als nooit tevoren. De door de plaatselijke boeren aangeleverde melk werd in gecondenseerde vorm overal ter wereld geleverd. Deze bloei zorgde voor veel extra werkgelegenheid in het Vlaardingse. De werknemers van het bedrijf konden zich verheugen in een prachtig nieuw kantoorgebouw dat aan de Oosthavenkade verrees. Wagenaar Hummelinck voerde een humaan personeelsbeleid en zorgde voor een ondersteuningsfonds voor oude werknemers, een leesbibliotheek, een muziek-, zang- en toneelvereniging, een eigen ziekenfonds en zelfs een speeltuin voor het kroost van de personeelsleden.


Een pelmolen scheidt het kaf van de graankorrel en doet zijn werk pas bij een windkracht van tenminste 5 Beaufort. Ook in deze bedrijfstak werd de machinale aandrijving met open armen ontvangen. De door stoom aangedreven pelmolen ‘De Rijsthalm’ was in handen van Corstiaan van Dusseldorp, één van de twee zoons uit een molenaarsfamilie. Zijn broer Adrianus richtte in 1873 de Fa. A.M. van Dusseldorp en Co. op, nadat hij een gloednieuwe meelfabriek had laten bouwen. Zijn ‘Stoommeelfabriek De Maas’ werd in de volksmond de ‘Blomfabriek’ genoemd.

Deze initiatieven inspireerden anderen, waaronder A. Hoogendijk Jzn., die zich in 1870 met zijn machinale nettenbreierij aan de Oosthavenkade vestigde. Dat die eerste generatie industriëlen niet op een houtje hoefden te bijten, laat het belastingkohier uit 1911 zien. Het rijtje namen van de hoogst aangeslagen personen bevat slechts de naam van één reder.

Ondanks de toename van allerlei bedrijven bleef het hart van meer dan de helft van de Vlaardingse beroepsbevolking lange tijd toch bij de visserij liggen.... Maar de tijden veranderden. Door onder meer de oprichting van de scholingsinstituten ‘Kennis is Macht’ en de Middelbare Handelsavondschool, werden de Vlaardingers zich steeds meer bewust van het feit dat er ook werk te vinden was buiten de visserij.

Het proces van de toenemende industrialisatie was niet meer te stuiten. In de Vulcaanhaven, die in tussen 1921 en 1923 werd aangelegd, werd erts overgeslagen. Allerlei bedrijven zagen het levenslicht waaronder de Coöperatieve Zuivelfabriek ‘Emous’, de NV Banket- en Biscuitfabriek C. Niemansverdriet, de machinefabriek en sleephellingen van de firma A. de Jong, de firma H. van Toor Jzn, Lever’s Zeep Maatschappij, Drukkerij Van Dooren, Havenbedrijf Vlaardingen Oost en zo meer. Enkele van deze bedrijven zijn nog steeds onder dezelfde naam in Vlaardingen gevestigd.

Inmiddels is de visserij allang uit het stadsbeeld verdwenen. Vele grote bedrijven en industrieën hebben in Vlaardingen een vruchtbare bodem gevonden.

Video's

43 Scheepswerven in het oude Vlaardingen (canonreeks deel 16)

In deze aflevering van Oud-VlaardingenTV gaan we terug naar de tijd dat Vlaardingen nog een echte vissersplaats was. Ook allerlei toeleverende bedrijven en bedrijfjes hoorden daarbij. Dat gold natuurlijk ook voor de scheepswerven die langs de Kortedijk en de Havenstraat lagen. Met visserijkenner Peter Zuydgeest gaan we terug naar de tijd dat er hier nog regelmatig schepen te water werden gelaten.

 

Reacties