Direct naar navigatie

Weeshuis der Hervormden

Door: Stadsarchief Vlaardingen, Periode: 1000 - 1899, Thema's: Visserij, Dagelijks leven, Armen en zieken

Het overlijden van (één van de) ouders is voor kinderen heel ingrijpend en heeft vaak verstrekkende gevolgen. Vroeger was zo’n gebeurtenis een regelrechte ramp. De levensstandaard van een gezin was vaak al minimaal en als daar dan ook nog eens een ouder wegviel, betekende dat heel vaak dat de kinderen in het Weeshuis terechtkwamen, zeker als de moeder stierf en de vader zeeman was. Hoe lang wordt er al op deze manier voor weesjes gezorgd….?

Een groep weeskinderen voor het Weeshuis in 1923 (foto D. Kramer)Het instituut ‘weeshuis’ is al erg oud. In 1433 is al sprake van het ‘Heilige Geest Gast- en Weeshuis’ en de uitdeling van turf, kaarsen, haring, vlees en brood door de Heilige Geestmeesters aan de armen. Deze Heilige Geestmeesters, van oorsprong toezichthouders op de Heilige Geestaltaren in de kerken, waren al belast met de armenzorg en kregen vanaf de 13e eeuw ook de verantwoordelijkheid over de zieken en wezen in de stad.

Het eerste weeshuis aan de Markt

Het allereerste weeshuis was gehuisvest in een aantal panden aan de Vlaardingse Markt. Nadat de vlammen tijdens de grote stadsbrand in 1574 ook het weeshuis in de as hadden gelegd, werd het instituut op dezelfde plek weer opgebouwd.
De inkomsten van het Heilige Geest Gast- en Weeshuis bestonden uit giften. Deze konden in de speciale ‘armbossen’ die in de kerk, op het stadhuis en in de herbergen stonden, worden gedeponeerd. Verder kwam er geld binnen uit vaste fondsen, gevormd door legaten en giften.
Er waren echter zoveel monden te voeren en lijfjes te kleden, dat er vrijwel altijd geldzorgen waren.

Verhuizing naar de Ridderstraat

Vanaf 1674 nam de invloed van de kerk af en die van het stadsbestuur toe. Het Heilige Geest Gast- en Weeshuis werd van lieverlee gewoon ‘Weeshuis’ genoemd en de Heilige Geestmeesters gingen vanaf 1692 als ‘regenten’ door het leven.
Na de aankoop - in 1722 - van de voormalige buitenplaats van de schoonzoon van ambachtsheer Wilhem van Ruytenburch, Cornelis van Hartigsvelt, in de Ridderstraat, vonden in het aangepaste gebouw negentien wezen onderdak. De verhuizing vanuit een stel dicht opeengepakte panden aan de Markt naar een deftige buitenplaats aan de rand van de stad was mogelijk door de erfenis van de Delftse heelmeester Dirk van Sennewaard. Op deze kaart is omvang van de buitenplaats aan de Ridderstraat goed te zien De ene helft van de in totaal 30.000 gulden die hij naliet, ging naar het weeshuis in Maassluis en de andere helft kwam in handen van het Vlaardingse weeshuis.
Zoals bij een echte buitenplaats hoort, beschikte het over ‘huysinge, een koetshuys, een paerdestal, een thuyndershuys en bepotinge en beplantinge’,‘boomgaerden, tuynen en een laan’. De weeskindjes gingen er dus flink op vooruit.

‘Binnenvaders- en moeders’

De zogenaamde ‘binnenvaders- en moeders’ voerden de instructies van de regenten strikt uit. De binnenvaders zorgden voor de broodmaaltijd en de binnenmoeders voor het warme eten. De naaimoeder leerde de meisjes naaien, zorgde voor de was en lette op de uiterlijke verzorging van de kinderen.
Op het menu stonden harde grutten met boter en stroop, groene erwten, gerst, witte bonen, kool, spek, vis, vlees of rijstebrei voor tussen de middag. De avondmaaltijd bestond uit grutten met karnemelk of water, zoete melk met beschuit, koeken en af en toe wat fruit.
Vanaf het jaar 1736 kregen de weeskinderen van oktober tot maart één keer per week ’s middags en ’s avonds haring te eten. Vlaardingen was tenslotte niet voor niets haringstad nummer één.

De kleding van de weesjes was heel simpel en aanvankelijk altijd zwart, de kleur van de rouw. Jongens droegen een zwart ‘buisje’ met op de schouder een bandje met de Vlaardingse kleuren rood, geel en blauw. De meisjes liepen rond in Vlaardingse klederdracht.Een bladzijde uit het 'Register van Verpleegden'. Dit kreeg Treijnje Aarens mee bij haar vertrek uit het Weeshuis
Al op jonge leeftijd moesten de kinderen hun eigen kostje verdienen. Daarvan ging natuurlijk het grootste deel naar het weeshuis.
Voordat ze uit het weeshuis ontslagen werden – meisjes met 21 jaar en jongens op hun 22e  – werden ze voorzien van een soort basisgarderobe, die onder meer kon bestaan uit ‘1 nieuwe roobaje rock, 1 nieuwe stameijne mantel’  en een aantal ‘nieuwe musse’ .

Een nieuw gebouw

Doordat het weeshuis aan de Ridderstraat te klein werd, besloot men uiteindelijk over te gaan tot nieuwbouw. In maart 1893 trokken de wezen en ‘oudelieden’, die inmiddels ook een onderkomen in het weeshuis hadden gevonden, in hun nieuwe behuizing. Dit gebouw, aan het Weeshuisplein, staat er nog steeds, al is het sinds 1953 niet meer in gebruik als weeshuis. Tot 1960 was het een ‘tehuis voor werkende jongens’. Nadat het in handen van de gemeente Vlaardingen was overgegaan, heeft het voor vele doeleinden dienst gedaan; onder meer als tentoonstellingsruimte, verenigingsgebouw en peuterspeelzaal.
Het voormalige weeshuis aan het Weeshuisplein (Heemraadstraat).Nadat het eind jaren '80 vanwege de herinrichting van het omliggende gebied een aantal jaar op de slooplijst stond, werd het markante gebouw uiteindelijk na een protestactie en het daadkrachtig optreden van toenmalig D66-wethouder T. van der Steen, van de sloop gered.
Tegenwoordig heeft het een woonfunctie en is er een aantal gezondheidscentra in gevestigd.

 

Reacties