Direct naar navigatie

Mens en landschap in De Vergulde Hand-West

Door: Vlaardings Archeologisch Kantoor, Periode: 8000 v. Chr. - 1499, Thema's: Strijd tegen het water

Het onderzoek op locatie De Vergulde Hand-West gaf archeologen niet alleen een uniek inzicht in de bewoningsgeschiedenis, maar vooral ook in de landschappelijke ontwikkeling van het onderzoeksgebied. Een landschapsgerichte onderzoeksstrategie maakte het voor de archeologen mogelijk om de relatie tussen mens en milieu te onderzoeken.

Het belangrijkste instrument van de specialist in de archeologie: de monsterbak.

Landschapgerichte benadering

Een groot deel van de onderzoeksvragen konden de archeologen alleen beantwoorden door nauw samen te werken met specialisten in:

  • geologisch onderzoek (het ontstaan van de grondlagen);
  • botanisch onderzoek (milieubepaling aan de hand van pollen, zaden en andere plantenresten); 
  • micromorfologisch onderzoek (het ontstaan van cultuurlagen (op microscopisch niveau)); 
  • onderzoek naar microfauna (milieubepaling aan de hand van insecten en schelpdieren).

De archeologen brachten de resultaten van deze specialistische onderzoeken samen in wat zij de landschapgerichte benadering noemen. Niet alleen de zones met de hoogste vondstdichtheid (vaak de huisplaatsen van de nederzetting) vonden zij interessant, maar ook het gebied daaromheen. Voor De Vergulde Hand-West hebben de wetenschappers heel bewust onderzoek gedaan naar de zones buiten de huisplaats. Om zo meer kennis te verzamelen over het totale woonerf en de exploitatiegebieden in de omgeving. Deze activiteitenzones zijn bij archeologisch onderzoek in de omgeving onderbelicht gebleven. Hier is met dit onderzoek de grootste kenniswinst behaald.

Een schematische voorstelling van de rivierdelta. De Vergulde Hand-West bevindt zich in het zoetwatergetijdengebied daar waar de zee en rivier samenkomen, op de rand van de kwelder (groen) en het veengebied (bruin).

Daar waar zee en rivier samenkomen

De resultaten van de samengebrachte methoden geven archeologen inzicht in hoe het landschap er op gezette tijden in de bewoningsgeschiedenis heeft uitgezien. De laatst vier- tot vijfduizend jaar ligt De Vergulde Hand-West in het overgangsgebied van het estuariene getijdengebied en zoetwatergetijdengebied. De invloeden van de rivieren en de zee wisselden elkaar af. Het is in deze tijd een relatief hoog en droog gebied dat meestal boven het toenmalige gemiddelde hoogwaterniveau ligt.

Bewoning

In de vroege en midden-ijzertijd en in de Romeinse tijd is sprake van drie korte fasen met bewoning. De bewoners hebben een breed scala aan archeologische sporen achtergelaten. De belangrijkste zijn: woonstalhuizen, spiekers, schuren, heiningen, takkenpaden en twee omvangrijke verkavelingen van greppels uit de Romeinse tijd. De archeologen vonden de meeste archeologische sporen natuurlijk op de woonerven, maar ook in de exploitatiezone daaromheen troffen zij veel sporen aan. In de vroege ijzertijd bewoonden de mensen De Vergulde Hand-West vermoedelijk seizoensmatig om het vee te weiden. In de midden-ijzertijd en de vroeg-Romeinse tijd woonden zij permanent in het gebied. Akkerbouw en veeteelt waren toen de belangrijkste bestaansmiddelen.

Ook benut als er geen bewoning was

Buiten de bewoningsfases om werd het gebied ook regelmatig bezocht door mensen. Dit begint in de midden-bronstijd met voornamelijk het weiden van vee in het grazige kweldergebied, maar ook de slikwadden in een krekenstelsel zijn benut, waarschijnlijk voor visserij. Vanaf de vroege ijzertijd zien we buiten de bewoningsfasen om ook akkerbouw. Rond 1000 na. Chr. vallen deze activiteiten samen met de ontginning van de veengebieden in Vlaardingen.

Verdwenen sporen

Alleen in de laat-Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen ontbreekt voor een periode van een aantal eeuwen iedere aanwijzing voor menselijke activiteit. Dit is deels te wijten aan een hiaat in de bodemopbouw. De niveaus uit deze tijd lijken te zijn verdwenen.

Invloed van zee en rivier

Een tijd schema waarop de bewoningsfases van De Vergulde Hand-West zijn aangegeven. Ook is de invloed van zee en de rivier goed te volgen in de zoete of zoute milieu's.

Door de landschapsgerichte benadering die archeologen volgden, weten we nu dat zoete milieus met een lage overstromingsfrequentie een belangrijke voorwaarde zijn voor intensieve activiteiten als bewoning en akkerbouw. Veeteelt leunt minder zwaar op zoete en relatief droge milieus. Sporen van veeteelt zien we dan ook terug in de bronstijd, toen de invloed van de zee en zout water groot was en het gebied met grote regelmaat overstroomde. Deze milieucondities veranderen vanaf ongeveer 650 voor.Chr, zodat bewoning en akkerbouw mogelijk was in het gebied. Akkerbouw is minder kwetsbaar voor een overstroming dan bewoning. Als het net te nat wordt voor bewoning, verlaten de mensen het gebied dan ook niet, maar zetten ze de akkerbouw voort.

Bron

Eijskoot, Brinkkemper & De Ridder (red.), 2011: RAM-rapport 200 Vlaardingen - De Vergulde Hand West, Amersfoort.

Reacties