Direct naar navigatie

Groen rond de dammen op Hoogstad

Door: Vlaardings Archeologisch Kantoor, Periode: 3000 v. Chr. - 499

In de jaren ’90 onderzoeken archeologen op het bedrijventerrein Hoogstad een fossiele kreek en zijn oeverwallen. Naast aardewerk, leer en bot uit de late ijzertijd en de Romeinse tijd verzamelen ze ook 22 monsters van grondlagen. De studie van stuifmeelkorrels, zaden, vruchten en andere plantenresten in deze monsters geeft een idee van de vegetatie die toen voorkwam op Hoogstad en in de wijdere omgeving.

De kreek die de onderzoekers aantreffen op Hoogstad, was actief in de ijzertijd en de Romeinse tijd. Tussen 175 voor Chr. en 175 na Chr. legde de lokale bevolking verschillende dammen aan om het water te beheersen. Ze gebruikte hiervoor zoden die werden afgewisseld met pakketten plantaardig materiaal. Deze vlijlagen dienden om de dam steviger te maken en om de waterhuishouding in het damlichaam zelf te verbeteren. Van deze plantaardige pakketten zijn 7 monsters genomen voor verder archeobotanisch onderzoek. De andere monsters zijn afkomstig uit verschillende afvallagen.

Stuifmeel, vruchten en zaden

Om een idee te krijgen van de vegetatie op en rondom Hoogstad kunnen zaden, vruchten en andere plantenresten, maar ook stuifmeel oftewel pollen bestudeerd worden. Stuifmeel verspreidt zich via insecten of de wind. Het legt daarom vaak een veel grotere afstand af vanaf de moederplant, dan zaden en vruchten dat doen. Pollenonderzoek vertelt daarom iets over de omgeving, bijvoorbeeld of er een bos in de buurt lag. Onderzoek naar zaden of vruchten zoomt in op de locatie zelf, of op de gebruiken van de lokale bevolking. Denk aan de akkergewassen die zij verbouwden of aan het fruit en de groenten die zij aten. Uitheemse soorten kunnen duiden op contacten.  

Naast informatie over de soorten kruiden, gewassen, grassen en bomen die voorkwamen, geeft het archeobotanisch onderzoek ook inzicht in het landschap. Aangezien sommige planten een sterke voorkeur hebben voor bepaalde omstandigheden (licht/ donker, nat/ droog, zout/ brak/ zoet), zegt de aan- of afwezigheid van stuifmeel en zaden van deze planten iets over de landschappelijke milieus in de omgeving.

Vlijlagen en afvalpakketten

De monsters uit de afvalpakketten leveren een iets ander beeld op dan de monsters uit de vlijlagen. Dit komt niet als een verrassing. Een afvalpakket vormt, zo lang het niet wordt afgedekt, een vergaarbak voor botanische resten. Planten die in verschillende seizoenen bloeien, kunnen zo samen vertegenwoordigd zijn. Daar het afval hoogstwaarschijnlijk afkomstig is van een nabijgelegen nederzetting, zouden deze monsters in principe ook een idee moeten geven van het lokale groen.

De plantenstengels in de vlijlagen zijn in de herfst verzameld en zullen kort daarna in de dammen zijn verwerkt. Het stuifmeel tussen deze stengels biedt dus enkel informatie over planten die in het oogstseizoen bloeiden. Voor deze vlijlagen gebruikte men rietvegetatie. Dit riet groeide niet in de nederzetting, maar is in een zouter milieu ten zuiden van de dammen, dus meer naar de Maas toe, verzameld.

Een open landschap

In de monsters van de afvallagen neemt het aandeel boompollen ongeveer de helft van het totaal in. Stuifmeel van els komt in alle monsters het meest voor, op ruime afstand gevolgd door den. Het overheersen van els toont aan dat er vooral bossen waren in natte milieus. Boomsoorten van drogere standplaatsen, zoals eik, beuk en hazelaar, komen veel minder voor. In de eerste fase van bewoning, rond 70 na Chr., is er echter aanzienlijk meer stuifmeel van deze bomen dan in latere fasen. Dit kan wijzen op toegenomen ontbossing tijdens de Romeinse bewoning.

Het relatief hoge aandeel van den wijst op een open landschap, dat het stuifmeel van dennen toestond om lange afstanden af te leggen tot de onderzoekslocatie. Dit beeld wordt bevestigd door het vele stuifmeel van schijngrassen, grassen en varens die wijzen op een biezen- of zeggerijke vegetatie, kenmerkend voor oevers in zoete (of eventueel brakke) milieus. Bossen waren er dus wel, maar moeten enkele kilometers van de onderzoekslocatie gezocht worden. De bijna totale afwezigheid in de monsters van zaden en vruchten van plantensoorten die groeien in bossen strookt hiermee.

Waar lag de nederzetting?

Op basis van de grote hoeveelheden nederzettingsafval in de kreek wordt verondersteld dat de nederzetting op de oeverwal lag, vlakbij de dammen. Het botanisch onderzoek schetst echter een ander beeld dan het archeologisch onderzoek. In de monsters zijn slechts zeer kleine hoeveelheden zaden en stuifmeel van cultuurgewassen aangetroffen. Opvallend is dat in enkele vlijlagen de akkeronkruiden, tredplanten en eenjarige ruderale planten - die over het algemeen rond nederzettingen voorkomen - een groter aandeel hebben. Deze onderzoeksgegevens pleiten dus voor de afwezigheid van een nederzettingsterrein in de onmiddellijke nabijheid van de dammen, maar lijken wel te wijzen op een nederzettingsterrein in de wijdere omgeving. De discrepantie tussen de archeologische en archeobotanische gegevens is tot nog toe niet verklaard.

Bron

Brinkkemper, O. en T. de Ridder, 2000: VLAK-verslag Nr. 3.3, Hoogstad 6.36. Het archeobotanisch onderzoek naar het milieu rond dammen en duikers uit de periode van 175 voor tot 175 na Christus.

Reacties