Direct naar navigatie

Religieuze vluchtelingen uit de Pfalz stranden in Vlaardingen

Door: Stadsarchief Vlaardingen, Periode: 1700 - 1799, Thema's: Geloof, Dagelijks leven

Eind 1709 maakt een schip met religieuze vluchtelingen uit de Pfalz (Palts) een tussenstop in Vlaardingen. Eén gezin is er slecht aan toe en kan de reis niet voortzetten. Hier begint de geschiedenis van de Schiedamse familie Rosman...

Korte voorgeschiedenis

Na de Reformatie van 1517 ontstond er een hevige godsdienststrijd in het Heilige Roomse Rijk (Duitsland). Bij de Godsdienstvrede van Augsburg van 1555 werd afgesproken dat de vorst van elk keurvorstendom in dat Rijk mocht beslissen welke godsdienst (rooms-katholiek, luthers of calvinistisch) daar de officiële was. Omdat het keurvorstendom Palts (Pfalz) het enige Lutherse en later Calvinistische was, vluchtten vele protestanten uit andere gewesten daarheen. Dat bleef zo tot 1685 toen de protestantse tak van de keurvorsten daar uitstierf en de rooms-katholieke Filips Willem van de Palts aantrad. Zijn door Jezuïeten opgevoede zoon Johan Willem (1658-1716) die hem in 1690 opvolgde, bevoordeelde zijn geloofsgenoten zeer en de protestantse meerderheid kreeg het zwaar te verduren.

Johan Willem van de Palts

Hierdoor kwam uiteindelijk vanaf 1709 een immense exodus van meer dan 100.000 mensen op gang, met name naar Pennsylvania in Amerika. De protestantse koningin Anne Stuart (1665-1714), die haar geloofsgenoten opriep om te vluchten, stelde onder andere land ter beschikking in haar overzeese kolonie. Deze uittocht – in 1709 ging het al om 13.000 religieuze vluchtelingen – ging over de Rijn via Rotterdam en via Engeland.

Aankomst in Vlaardingen

In de notulen van de Vlaardingse ‘heren van de weth’ van 17 februari 1710 lezen we dat eind 1709 ook een ‘barcq of haak met veel Palsissche volkeren’ in de Vlaardingse haven was aangekomen. De opvarenden waren van plan via Den Briel naar Engeland te varen omdat zij ‘door mej. de koninginne (Anne Stuart dus) waren gedaan ontboden omme in desselffs rijk geplaatst te werden’.
Aan boord bleek ook een echtpaar met vier kinderen te zijn, waarvan de vrouw ernstig ziek was. De boot vertrok en het gezin werd uit ‘christelijke mededogentheyt door eenige menschen’ in Vlaardingen in huis genomen en verzorgd, maar zowel de vader als de moeder stierf.
Omdat het om geloofsvluchtelingen ging, die op uitnodiging van ‘haar hooghgedagte majesteyt’ deze gevaarlijke reis maakten, besloten de vroede vaderen dat de kindjes bij hoge uitzondering voor rekening van het stadsbestuur zouden mogen worden grootgebracht.

Verdere levensloop

Wat er van de twee meisjes is geworden is onbekend, maar de twee jongetjes van 7 en 9 jaar gingen naar het weeshuis aan de Markt. Omdat ook het archief van het weeshuis in het Vlaardingse Stadsarchief berust, kennen we hun namen. Op 22 februari 1710 werden daarin opgenomen: Martynus Gerretsen uit de Pals en Adam Gerretsen uit de Pals, ‘die hun vader en moeder hier sijn sieck geworden en sijn gestorven en begraven’. Omdat zij geen kleren aan het lijf hadden, kregen de beide jongens vier hemden, een linnen pak, een onderpak, twee paar kousen en een nieuwe hoed. 
De jongste broer, Adam, stierf op 19 september 1727 op 25-jarige leeftijd in het nieuwe weeshuis aan de Ridderstraat dat in 1722 in gebruik was genomen.

Het Weeshuis aan de Ridderstraat (1722-1892)

Zijn bezittingen, voornamelijk kleding, werden gewaardeerd op ruim 64 gulden. Hij werd voor 4 gulden begraven als Adam Gerritsz. Coenraed.
Omdat zijn broer Maerten voorkomt als Maerten Coen en later als Maerten Coenraeds Rosman, lijkt het erop dat hun overleden vader Gerrit Coen(raeds) zal hebben geheten.
Deze Maerten verliet het weeshuis op 12 juni 1723, toen hij 23 jaar oud was. Uit de nauwkeurig omschreven kleding die hij meekreeg, blijkt dat hij als zeeman de kost verdiende. 

De 'uitzet' die 'Marttijnnis Gertse uijtte Pals' meekreeg bij zijn vertrek uit het weeshuis op 12 juni 1723

Huwelijk

Hij trouwde drie jaar later met de in 1701 in Vlaardingen geboren Maria Hendricksd. de Graaf en werd in 1735 door de burgemeesters beëdigd tot ‘pakker en hoger van de haring’.  Uit dit huwelijk werden drie kinderen geboren, waarvan de oudste als baby stierf. De andere twee, Coenraet en Paulientje, werden als weeskinderen vermeld toen hun vader in 1744 stierf.
Coenraet Maertensz. Coen (1730-1792) die verder als Coenraet Rosman door het leven zou gaan, trouwde in 1753 en kreeg nageslacht in Vlaardingen en tot op de huidige dag in Schiedam.
Met dochter Paulientje (1734-1770) liep het slecht af. Zij trouwde in Vlaardingen in 1763 met Jan Barentsz. Berlijn en kreeg vijf of zes kinderen. Toen zij echter in 1770 een kind baarde uit een overspelige relatie met de eveneens getrouwde Johannis Schilder, bracht ze dit om en pleegde zelfmoord. Zij werd begraven op ‘het verkeerde kerkhof’, aan de noordzijde van de Grote Kerk.
Over haar schoonvader Barent Albertsz. (geweldpleging) en dochter Susanna (diefstal) die meermaals in aanraking kwamen met justitie, is op deze site meer te vinden.

Bronnen:

  • H.J. Luth, Van Rhein naar Delaware (propedeusescriptie, Dordrecht 2013)
  • Archief Stad Vlaardingen, inv. nr. 35, fol. 220 e.v., inv. nr. 61, fol. 39 en inv. nr. 279, fol. 240v.
  • Archief Weeshuis der Hervormden, inv. nr. 38, fol. 35, 36, 41 en 110
  • Rechterlijk Archief Vlaardingen, inv. nr. 11, fol. 97 e.v.

 

 

 

Reacties