Direct naar navigatie

Vlaardingse leesgezelschappen

Door: admin, Periode: 1800 - 1899, Thema's: Cultuur en vermaak

Dat we in een informatiemaatschappij leven, merken we elke dag. Niet alleen vanwege de omvang en verscheidenheid aan informatie, maar ook door de vanzelfsprekendheid waarmee deze naar ons toestroomt. Neem internet, televisie, radio en de ontelbare tijdschriften, dagbladen, dvd's, cd-r’s en boeken die over elk gewenst onderwerp in de winkel te koop zijn. We gaan terug naar het begin van de 19e eeuw, toen de informatievoorziening nog op een laag pitje stond.....

In die tijd was er grote interesse voor literatuur. Niet zozeer bij de gewone arbeider als wel bij de welgestelde burgers. De eerste bibliotheek in Vlaardingen ziet dankzij boekhandelaar Reinier Kikkert in 1827 het levenslicht. Hier kon men tegen betaling boeken lenen. Vanuit de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen ontstond in 1866 de Volksbibliotheek en in de volgende eeuw, in het jaar 1920, volgde de opening van de Openbare Leeszaal en Bibliotheek. De bibliotheken voorzagen dan wel in een behoefte maar, zeker in het begin, niet in voldoende mate. Er werden onvoldoende boeken aangeschaft of de wachttijden waren te lang. Dit vormde voor een aantal Vlaardingers de aanleiding om een leesgezelschap op te richten. Zo ontstond in 1826 leesgezelschap 'De Honingbij', in 1839 'Onderling Genoegen', in 1852 'Chrysostomus' en in 1874 werd leeskring ‘Eensgezindheid’ opgericht. Andere gezelschappen waren ‘Crescendo’ en ‘Ongenoemd’.

Leesgezelschap 'Eensgezindheid' poseert op 10 januari 1924 voor de fotograaf ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan
De doelstelling van de leesgezelschappen varieerde. ‘De Honingbij’ propageerde het lezen van 'Nederdeutsche en Fransche boeken', bij ‘Chrysostomus’ was het doel algemener, namelijk '’t lezen van boeken, tijdschriften en brochures' en leeskring ‘Eensgezindheid’ was er slechts op uit 'de leden aangename lectuur te verschaffen'.

Door de ballotage

Het was niet altijd even makkelijk om lid te worden van een leesgezelschap. En niet alleen omdat er vaak een maximum aantal leden werd vastgesteld. Bij ‘De Honingbij’ was dit maximum 12 en bij ‘Onderling genoegen’ was dit lange tijd 24 leden. Degenen die lid wilden worden van de laatste club, ‘het deftige gezelschap’ - zoals de leden zichzelf vaak noemden - moesten worden voorgedragen door een lid. Op de vergadering werd dan hierover gestemd. Dit deed men met behulp van bonen. Witte bonen betekende vóór en bruine bonen tégen. Dit bleef een goed - reglementair - gebruik totdat op 2 april 1917 de bonen niet te vinden waren. Tijdens de stemming vroeg men aan de kelner de bus met bonen. Deze was echter spoorloos. De kelner kwam met de mededeling dat 'de zaak weg is’. Toen bleek dat de hotelhouder met ’t oog op de schrale rantsoenering - het was immers oorlog - zichzelf en zijn gasten had getrakteerd op de -  78 jaar oude - bonen. Vanaf die tijd stemde men met briefjes.Leesgezelschap 'Onderling Genoegen' in 1914
De leesgezelschappen waren weinig flexibel en hanteerden strikt de regels. Op het niet bezoeken van een vergadering stond een boete van 50 cent. Op te laat komen of arriveren na sluitingstijd stond een boete van 10 cent, net als op vertrek vóór de sluiting van de vergadering. Als een lid wegens gezondheidsredenen verhinderd was, moest hij of zij een doktersverklaring laten zien. In geval van een sterfgeval in de huiselijke kring of van naaste familieleden was men wat soepeler, dan hoefde diegene de eerst daaropvolgende vergadering niet bij te wonen.

Sociaal gebeuren

Naast het lezen van boeken en het bijwonen van vergaderingen was het 'genoeglijk samenzijn' van wezenlijk belang. Dan werden er vriendschappen gesloten. Onder ‘kaart- en potspel’ leerde men elkaar beter kennen en meer en meer waarderen. Er was dus een duidelijke sociale component.
De leesgezelschappen hielden ook jaarlijkse ‘boekverkopingen’. Men verkocht dan de boeken die onder de leden hadden gecirculeerd. Het reglement van ‘Onderling Genoegen’ stelde dat ieder lid verplicht was één aankoop te doen van minstens vijf en zeventig cent en later een gulden. Wie niets kocht, kreeg een boete van hetzelfde bedrag. De boekverkopingen waren erg populair; niet alleen vanwege de verkoop zelf maar vooral ook om de feestelijke sfeer eromheen.
De keuze van de boeken deed nog al eens wat stof opwaaien. In 1866 vroeg een lid beter toe te zien op de aanschaf van boeken. Hij en andere leden van het gezelschap, hadden zich namelijk geërgerd aan een bepaald werk dat de godsdienstige overtuiging van hem en anderen bekritiseerde. Hierop besloot men, om verdere irritaties te voorkomen, geen theologische werken meer aan te schaffen. Ook hield men in de gaten of de boeken niet te scabreus waren. In 1894 werd er een aanmerking gemaakt op een boek dat gecirculeerd had, namelijk ‘Corri’s huishoudster’. Eén van de leden las enkele passages en kwam tot de conclusie dat het lezen van dit boek niet geschikt was voor jonge meisjes. Daarom stelde hij voor dat het bestuur dit boek terughaalde. Dat veroorzaakte commotie alom. Veel leden waren hierop tegen en wilden het boek nu zéker lezen omdat 'ook niet alle leden zoo gelukkig zijn het vaderschap te bezitten'. Na enig gesteggel 'wordt de leden aanbevolen hierin zelf de nodige bescheidenheid in hun huisgezin in acht te nemen en met de verzending ervan zoveel mogelijk voorzichtigheid in acht te nemen', waarmee men akkoord ging. Ook het boek ‘Barbusses Hel’ achtte men niet geschikt voor circulatie. Degenen die het per se toch wilden lezen, konden dit kenbaar maken aan de bibliothecaris. De secretaris memoreerde later dat 'hiervan gretig gebruik werd gemaakt'.
De roulatie van boeken en tijdschriften verliep evenmin vlekkeloos. Er ging bijna geen vergadering voorbij zonder klachten over te late verzending, niet ontvangen boeken, het ontbreken van delen of tijdschriften enz. Anderen klaagden weer over de deplorabele staat waarin verschillende boeken en tijdschriften verkeerden. Zo vond een lezer een keer als boekenlegger een plakje kaas in een boek.... Uit het reglement van 1897 blijkt dat, om uitbraak van ziektes te voorkomen, boeken uit een gezin waar een besmettelijke ziekte heerste, ter ontsmetting naar de directeur van de Gemeentereiniging gezonden dienden te worden.
Het ongelimiteerd kunnen beschikken over informatie heeft, afgezien van het sociale element de leesgezelschappen overbodig gemaakt. Het leesgezelschap dat uiteindelijk de langste adem had, is ‘Chrysostomus’. Het archief ervan bestrijkt de periode 1852-1973. 

 

Reacties