Direct naar navigatie

Arm en rijk onderdak

Door: Stadsarchief Vlaardingen, Periode: 1800 - 1949, Thema's: Dagelijks leven, Armen en zieken, Rijk en Arm

Je kunt de tv niet aanzetten of je belandt wel in één of ander woonprogramma met namen als ‘Huizenjacht’, ‘Help, mijn man is klusser’, ‘Eigen Huis en Tuin’ of ‘Extreme Home Makeover’. Ja, ons huis en onze woonomgeving spelen een grote rol in ons leven. Of je nu in een villa woont, een rijtjeswoning of een flatje driehoog achter maakt niet zo heel veel uit. We hebben in ieder geval de beschikking over centrale verwarming, water, gas en licht. We hebben een badkamer, een keuken, een woonkamer en een aparte slaapkamer en we vinden dat vanzelfsprekend. Maar dat ís het niet…

Bevolkingsaanwas

Aan het eind van de 19e eeuw leefde de economie mede door de industrialisatie op en trokken veel mensen van het platteland naar de stad. Als gevolg hiervan ontstond er een grote behoefte aan de bouw van nieuwe woningen. Rondom de Schiedamseweg met zijn kapitale huizen van reders en notabelen verrezen voor de gewone man simpeler woningen in smalle straatjes en steegjes zoals onder meer de Dwarsstraat, de Dwarssteeg en de 1e en 2e Spoorstraat. Het oudste deel van de stad, waaronder de Bierslootstegen en de Achterstegen aan de andere kant van de Oude Haven, bood zo mogelijk een nog soberder onderdak aan eenvoudige arbeiders en vissers. Enig toezicht van de overheid op de bouw was er niet. Men bekommerde zich over het algemeen weinig om de kwaliteit van de woningen. Dat had tot gevolg dat de huizen klein, brandgevaarlijk, vochtig en gehorig waren. Niet bepaald een inspirerende leefomgeving dus voor een bevolking die zich van 1885 tot 1905 bijna verdubbelde; van 11.453 inwoners naar 21.104.

Een zeer eenvoudige keuken in de 4e Bierslootsteeg

Woningwet

In het jaar 1901 stemde een meerderheid van de Tweede Kamer in met de Woningwet. Dat verbeterde de situatie behoorlijk. De gemeenteraad stelde in 1905 een bouwverordening vast. Nu konden er eisen gesteld worden aan de woning; de slaapkamers moesten een raam hebben, een toilet was verplicht en dat toilet mocht niet meer op de keuken uitkomen, de woning moest een bepaalde minimale woonoppervlakte hebben enzovoorts, enzovoorts.
In 1908 bracht de ‘Gezondheidscommissie te Vlaardingen’ een verslag uit van een woningonderzoek in het alleroudste en allerarmste deel van de stad; het gebied begrensd door de Afrol, de Gedempte Biersloot, de Ridderstraat, de Struijkstraat, de Maassluissedijk, de Markt en de Hoogstraat. Het onderzoek betrof de toestand van 969 één-, twee- en driekamerwoningen in dit gebied. De uitkomst was dermate slecht dat ‘de leden van de commissie zich meermalen voor feiten geplaatst zagen waar direct ingrijpen noodzakelijk was’. Soms leidde dat zelfs tot onmiddellijke onbewoonbaarverklaring van een woning. Over het algemeen was de uitslag van dit onderzoek dus verontrustend, echter altijd nog beter dan de toestand in de grote steden.Tabel 1a uit het 'Verslag van het woning-onderzoek' geeft een beeld van de ligging van de onderzochte woningen

Kleine huizen, grote gezinnen

In het begin van de 20ste eeuw was het met de huisvesting slecht gesteld. Men leefde opeengepakt in kleine huisjes, bestaande uit één, twee of drie vaak kleine kamers. Deze lagen veelal in donkere sloppen en stegen. Doordat de huizen in Vlaardingen vaak beneden het straatniveau lagen, was er geregeld wateroverlast. Veel mensen werden door deze slechte woonomstandigheden dan ook ziek. Uit bovengenoemd onderzoek van de Gezondheidscommissie kwam naar voren dat er op dat moment 330 woningen in het onderzochte stadsdeel waren, die maar uit één kamer bestonden. In totaal 408 woningen met één, twee en drie kamers beschikten niet over een ‘privaat’ (toilet). De meeste woningen (846 van de onderzochte 969 woningen) hadden wel een eigen kraan. Bij dertig woningen ontbrak een dergelijke voorziening in het geheel.

Hoe speelde het dagelijks leven zich in die tijd op die luttele vierkante meters eigenlijk af? Als je over een tweekamerwoning beschikte, zag dat er ongeveer zo uit: Vader en moeder sliepen in de kamer in een bedstee. De baby lag in de kribbe, een uítstekend houten bakje dat aan de bedstee vastzat. Een bedstee in een huisje in de 7e WaalsteegBoven op zolder lagen op een rijtje of ook in bedsteden, de kinderen. En dat waren er meestal veel, er was immers nog geen sprake van adequate geboortebeperking. De keuken was klein, met een aanrechtje en gootsteen van graniet, een plank erboven voor de pannen en als je geluk had, een kraan met – koud – stromend water.

In de tobbe

Een badkamer ontbrak in deze schamele woninkjes. Een grondige wasbeurt was dan ook een hele onderneming. Deze vond over het algemeen maar eens per week plaats, meestal op zaterdagavond. Het hele gezin waste zich dan in een grote teil, de tobbe. Het water verwarmde men op het vuur of men haalde warm water bij de waterstoker. Geisers bestonden er nog niet. Dit badritueel vond plaats in de woonkamer, vóór de kolenkachel. Ieder lid van het gezin kreeg zo een beurt. En denk maar niet dat het water tussendoor werd verschoond.
De vrouw des huizes deed eens per week de was, op maandag. Dat was een tijdrovend karwei, want alles ging met de hand. Het goed legde men te drogen op de ‘bleek’.

Inrichting

De inrichting en stoffering waren simpel. In de huiskamer stonden een tafel met stoelen eromheen, een kast en een kachel. Boven de tafel hing een gaslamp met een kousje. De bedstee was ingebouwd. De vloer was van hout, steen, leem of grind. Aan de muur hing een bidprentje of een bijbeltekst en een kandelaar.
‘s Avonds deed je een spelletje, breide een sok of las je een boek. In ieder geval ging je vroeg naar bed.

Geen riolering

De meeste woningen hadden nog geen aansluiting op een riolering. Je deed je behoefte op een pispot. Als de pispot vol was, leegde je hem in één van de vele sloten die er toen nog door de stad liepen (de Waal, de Biersloot) of in de Oude Haven. Uit diezelfde Oude Haven haalde de huisvrouw ook het water voor de afwas of om de groente schoon te maken. Veel mensen werden dan ook ziek en overleden vroegtijdig. Cholera- en tyfusepidemieën lagen voortdurend op de loer.

De afbeelding op deze prent genaamd 'Ploemp in de Waal', laat niets aan de fantasie over...

De strontophaler

Aan het begin van de 20ste eeuw voerde het stadsbestuur het zogenaamde ‘tonnenstelsel’ in. Dat hield in dat elk gezin voor de grote en kleine boodschap een tonnetje kon huren. Dat tonnetje haalde de zogeheten ‘strontophaler’ van de gemeentereiniging één of meerdere keren per week op. Als je het kon betalen, liet je de ton natuurlijk vaker dan één maal per week ophalen, dat sprak vanzelf. De strontophaler liet een ‘schoon’ tonnetje achter, zodat je weer een tijdje vooruit kon. Voor de strontophaler begón het dan pas, want deze, vaak overlopende en enorm stinkende tonnetjes, moesten vervolgens worden geleegd. Dat gebeurde in de Beerhaven, onderaan de Schiedamsedijk, bij de Hoflaan. Hij leegde de tonnen in een scheepje dat met de brij naar het Westland voer. De tuinders waren er maar al te blij mee want de bloemkolen groeiden er goed van. In de winter kwam het met enige regelmaat voor dat de inhoud van de tonnetjes bevroren was. Voor de strontophaler zat er dan niets anders op dan ze in zijn huiskamer, vóór de kachel, te laten ontdooien. Wachten tot de fecaliën ontdooid zijn.....(uit een serie van 13 prenten over de geschiedenis van de Reinigingsdienst,ongedateerd)
Ook aan dit tijdperk kwam een einde. In december 1926 besloot de gemeenteraad tot opheffing van het tonnenstelsel en verplichte aansluiting voor alle woningen met een watercloset op de stadsriolering.
Hiermee was een stap verder gezet op de weg naar een verbeterde woonomgeving.

De Vlaardingse upperclass

De tegenstelling op het gebied van huisvesting tussen de arme arbeiders en vissers en de rijke bovenlaag was groot. Welgestelde Vlaardingers bezaten grotere huizen, die zij met zorg inrichtten. Zij woonden bijvoorbeeld in een villa op de Schiedamseweg of een herenhuis aan de Binnensingel, de Hofsingel en de Oost- of Westhavenkade. Je had dan de beschikking over een zogenaamde ‘mooie kamer’ waar je het bezoek ontving. In zo’n ‘mooie kamer’ stonden gemakkelijke fauteuils, een theemeubel en een plantentafel met een palm erop. Soms ook een piano en een secretaire. De meubels waren degelijk en bekleed met trijp, een soort fluweel. De zittingen van de stoelen zaten los, zodat de dienstmeid ze kon uitkloppen met de mattenklopper. Op de trap lag een loper, die op elke tree vastgezet was met een koperen roede. Op de vloer lag visgraatparket met daarop vloerkleden met franjes. Stofzuigers waren er nog niet, dus het was vegen, dweilen en mattenkloppen geblazen. Voor de dienstbodes wel te verstaan. Deze zetten ook het hout van de meubels regelmatig in de boenwas. Alles moest glanzen en blinken, want zo hoorde het nu eenmaal. De rijken konden in bad zo vaak als ze wilden. Hun huizen bezaten vaak al een badkamer met een bad (op pootjes). Naar de was hadden ze geen omkijken. Daar was het personeel voor, dat het zelf waste of naar de blekerij (wasserij) bracht.Zo woonden rond 1900 de beter gesitueerden. Hier zien we notaris A. Knottenbelt met zijn vrouw en kinderen in zijn huis aan de Schiedamseweg 16. Rechts achter staan twee dienstbodes. Op de voorgrond ligt de hond

Positieve kentering 

De invoering van de Woningwet en de daaropvolgende aanleg van riolering en de verschaffing van gas water en licht heeft een positieve kentering in de woonomstandigheden van de sociaal zwakke onderlaag teweeggebracht.
Ook de oprichting van de Woningcorporaties de ‘Vereeniging tot verbetering der Volkshuisvesting “Patrimoniums Woningen” ’ (1911) en ‘Bouwvereeniging Samenwerking’ (1914) die eveneens ter verbetering van de volkshuisvesting werd opgericht, droeg haar steentje hieraan bij.
Terugkijkend op de abominabel slechte woonomstandigheden waaronder de inwoners van Vlaardingen toen leefden, kunnen we wel zeggen dat zich in een eeuw tijd een ware revolutie heeft voltrokken op dit gebied.

Bronnen:
• ‘Verslag van het woning-onderzoek in de Gemeente Vlaardingen’, uitgegeven door de ‘Gezondheidscommissie te Vlaardingen’, 1908
• Th. J. Poelstra, ‘Wonen in oma’s tijd’, 1979
• Klaas Kornaat, ‘Bouwen aan de stad van morgen’ – 85 jaar Patrimoniums Woningstichting Vlaardingen, 1996
• ’75 jaar woningbouwvereniging Samenwerking ‘77’ ’, jubileumuitgave bewonersblad, 1989
• A. Soeteman e.a., ‘150 Jaar Gemeente Vlaardingen, 1813-1963', [1963]

Video's

Sloppen en stegen in Vlaardingen

Sloppen en stegen hoorden erbij, ook in Vlaardingen. Dat klinkt somber, misschien ook wel ouderwets, en in het verleden was het wonen daar zeker niet altijd een pretje. Veel ervan is verdwenen. Toch zijn er nog sporen van aanwezig, die zeker de moeite van het bekijken waard zijn. Wanneer ontstonden ze, welke ontwikkeling maakten ze door en wat is er nu nog van over. We volgen de geschiedenis van de sloppen en stegen in Vlaardingen en we doen dat met Wout den Breems, voorzitter van de Historische Vereniging Vlaardingen.

 

Reacties